Artikel 8

Afstammingsvoorlichting bij kunstmatige inseminatie en eiceldonatie

(door mr L.G. Schrage)

De kwestie rond afstammingsvoorlichting staat de laatste tijd weer sterk in de belangstelling, vanwege de grote wetenschappelijke ontwikkeling op het gebied van kunstmatige inseminatie en eiceldonatie. Steeds vaker gaan mensen die op natuurlijke wijze geen kinderen kunnen krijgen over tot kunstmatige inseminatie. Het gevolg is dat er meer kinderen geboren worden waarvan de genetische ouder of ouders anderen zijn dan de zorgouders. Hier kan een conflict ontstaan tussen de belangen van het kind om te weten van wie het afstamt, de belangen van de zorgouders op bescherming van hun privé-leven en de belangen van de donor.

 

In de rechtspraak betreffende afstammingsvoorlichting aan een kind dat op natuurlijke wijze is verwekt, is bepaald dat het recht om te weten van welke ouders men afstamt niet absoluut is. Het recht om te weten van welke ouders men afstamt moet wijken voor de rechten en vrijheden van anderen wanneer deze in het concrete geval zwaarder wegen. Bij rechten en vrijheden van anderen moet gedacht worden aan het recht op respect voor het privé-leven van een van de ouders. De onderlinge rangorde van de genoemde rechten is zodanig dat het recht van het kind prevaleert. Behalve door het grote belang van het kind om te weten van wie het afstamt, wordt deze voorrang gewettigd door het feit dat de natuurlijke moeder mede verantwoordelijkheid draagt voor het bestaan van het kind. De Hoge Raad vermeldt uitdrukkelijk dat het te dezen niet gaat om kunstmatige donorinseminatie. Dit is merkwaardig. De situatie komt sterk overeen met een situatie van KID, waarbij de vrouw gebruik heeft gemaakt van een bekende donor. Maar ook in een situatie waarbij gebruik is gemaakt van KID met sperma van een anonieme donor, zou je dezelfde regel kunnen hanteren als in de onderhavige situatie gebeurd is. De natuurlijke moeder draagt in de regel mede de verantwoordelijkheid voor het bestaan van het kind. Ook bij KID zouden de rechten van het kind om te weten van wie het afstamt moeten prevaleren boven het recht van de moeder tot bescherming van haar privé-leven, tenzij er andere, zeer zwaarwegende belangen zijn.

 

De wetgever heeft zich vanaf 1992 bezig gehouden met de problematiek van de afstammingsvoorlichting bij het wetsvoorstel Donorgegevens Kunstmatige Inseminatie. Blijkens de Memorie van Toelichting beoogt het wetsvoorstel een regeling te bieden voor het verstrekken van afstammingsgegevens in geval van kunstmatige donorinseminatie. Er wordt gekozen voor een systeem, waarin uitgegaan wordt van de toestemming van de donor als vereiste voor de verstrekking van persoonsidentificerende gegevens. De anonimiteit wordt alleen tegen de wil van de donor doorbroken, als na een belangenafweging de belangen van de verzoeker zo zwaar wegen dat de persoonsgegevens toch verstrekt worden. Het wetsvoorstel betreft dus niet een volledige opheffing van de anonimiteit van de donor. Alle personen en instanties die kunstmatige donorinseminatie verrichten zijn verplicht de donorgegevens aan een Stichting ter beschikking te stellen. De Stichting verstrekt, indien mogelijk, op verzoek van de KID-persoon de gegevens omtrent de donor.

 

De twee grootste bezwaren die tegen volledige opheffing van de anonimiteit aangevoerd worden, zijn de terugloop van het aantal donoren en het ontstaan van een zwart-zaad circuit. Deze bezwaren wegen niet op tegen het meest fundamentele recht van een mens, namelijk het weten van wie je afstamt. Het wetsvoorstel is een goede aanzet, maar zou een stap verder moeten gaan. In het wetsvoorstel wordt de anonimiteit van de donor alleen doorbroken na een daartoe strekkend verzoek. Als de ouders het geheim bewaren en het kind dus niet inlichten over zijn afstamming van een donor, zal het kind waarschijnlijk nooit te weten komen dat zijn zorgouders niet zijn biologische ouders zijn. Dit 'wat niet weet, wat niet deert'-idee staat op gespannen voet met het recht van het kind om te weten van wie het afstamt. Een goed alternatief voor het wetsvoorstel is een regeling waarin wordt bepaald dat het kind bij zijn geboorte een genetisch paspoort krijgt waarin staat vermeld wie de zorgouders en wie de biologische ouders zijn. Het kind kan dan te allen tijde in zijn paspoort kijken om te weten van wie het afstamt. Als er van het begin af aan geen geheimen zijn over de afstamming, zal het kind sneller accepteren dat zijn zorgouders niet zijn biologische ouders zijn. Ook voor de zorgouders is dit een goede oplossing, want zij kunnen de consequenties van de inseminatie tegen elkaar afwegen en als ze besloten hebben om een inseminatie te laten plaatsvinden, zijn er vanaf de geboorte geen geheimen tegenover het kind. Een relatie die gebaseerd is op vertrouwen zal uiteindelijk de beste relatie zijn. Het argument dat het aantal donoren sterk zal teruglopen staat niet in verhouding tot het fundamentele recht om te weten van wie je afstamt. Ouders die op natuurlijke wijze geen kinderen kunnen krijgen en toch graag een kind willen, moeten de consequentie aanvaarden dat er duidelijkheid bestaat over de biologische ouders. Tevens moeten de donoren de consequenties van hun donatie aanvaarden door als biologische ouders vermeld te staan in het genetische paspoort van het kind. Ik sluit een omgangsregeling tussen biologische ouders en kind op verzoek van een van beiden dan ook niet uit. Het gaat immers steeds om een bekende donor. Het wetsvoorstel is een stap in de goede richting, maar zou een stap verder moeten gaan.

 
  lees verder in dit artikel
lees artikel 7 lees artikel 9

sail_bar.gif - 1.788 bytes


publicaties@kidkids.nl
publicaties@kidkids.nl
bovenkant pagina Kid-kids homepage
 © KIDkids 08-03-2000,
updated 08-09-2000.

 

home | KID-IUI | discussie | links | juridisch | FAQ | literatuur | uitgesproken | gevraagd | aangeboden | kaartjes | raadsels | sitemap